Het (On)gevaarlijke Meisje

Standaard

 

Sitia, Kreta, september 2009. Met een knipoogje naar Bea.

Wellicht is The Famous Ioannis, zoniet de alleralleraardigste, dan toch een van de vriendelijkste taxichauffeurs, die een dagelijks dieselspoor nalaten tussen Heraklion en het noordoostelijke Sitia. Hij is de man met duizend vrienden, die moeiteloos elke verkeersregel overtreedt, die halfweg een rit stopt om een bloem voor jou te plukken, die je de daver op het lijf en de berm in jaagt met een zelfgeknutselde politie-megafoon, die jou in het holst van de nacht naar de heuveltop rijdt om miljoenen sterren aan de hemel te bewonderen, die op een onmogelijk uur en een 10-Beaufort-storm een rit van zeven uren aanvangt om jou in een uitgestorven Heraklion Airport op te halen omdat jouw Sky Express-vlucht naar Sitia niet doorgaat, en die jou nadien (opgelucht, vermoed ik) jouw eerste Kretenzische bolide verkoopt; de man die elke celebrity, die een voet op de tarmac zet, met een klopje op de schouder mag verwelkomen.

Die man was het, die kwam aanzetten met het briljante idee een bergtochtje in zijn legerjeep te organiseren, toen hij vernam dat mijn vriendin Bea weldra zou arriveren en ik naarstig op zoek was naar enige gepaste vormen van vermaak.

De dag was niet overmatig zonnig, ons humeur daarentegen wel. De jeep kroop hoog de heuvels rond Sitia in, langs korte bochten,  weinig begaanbare paden,  overdadig groen en duizelingwekkende vergezichten.

En net als wij er van overtuigd raakten,  helemaal alleen in weidse wolken te vertoeven, komt daar een man op zijn quad aangetuft, het geweer in de aanslag. Pistolis – laat ons de man Pistolis noemen –  is al even verrast bij het zien van dit ongewoon vrouwelijk gezelschap, als wij bij het zien van zijn indrukwekkend wapen. Nog voor wij van onze verrassing zijn bekomen, zitten wij al gemoedelijk een glaasje achterover te slaan in zijn aan het oog onttrokken, bevreemdende woning, hoog boven de bewoonde wereld. Woning is een eufemisme, het vertrek is een waar arsenaal. Van hoog tot laag hangen, staan, liggen wapens voor het grijpen. Wij kennen allen de innige band tussen Kretenzers en hun wapens, maar hier is werkelijk niet op een kalibertje min of meer gekeken.

En Bea liet zich in deze dreigende omgeving niet ongemoeid. Was het de raki, waren het diepgewortelde wraakgevoelens, een avontuurlijke drang ? Als een ware revolutionista greep zij een wapen en richtte het op Sweet Ioannis, die haar perfide spel maar al te graag meespeelde, tot groot jolijt van al de verblufte omstaanders.

Pistolis schonk ons nog een glaasje in, gaf zowaar nog een demonstratie hoe je een wapen zonder veel complimenten (en zonder veel vragen) moest hanteren. Hij moet in Bea een beloftevolle discipel hebben gezien. Toen wij terloops even polsten of de politie geen graten zag in zijn (zonder twijfel) lucratieve handeltje, gaf hij mee dat de politie bijna dagelijks bij hem over de vloer kwam. Hij was immers de enige ervaren gabber in de wijde omtrek met voldoende expertise om hun wapens te herstellen.

Wat houden wij van Grieken.

 

 

Advertenties

De Bank des Aanstoots

Standaard

studio-07-2018-2

De dorpelingen moeten ze niet, de naar het mainland uitgeweken Kretenzers, die zich nu hoogmoedig “Atheners” noemen en elk jaar rond deze periode naar het eiland afzakken om hier ter plaatse te controleren of hun ouders en andere erflaters nog min of meer in leven zijn, erfenissen te regelen, eigendommen of grond te kopen of – meer toepasselijk – te verkopen, en vooral het vuur brandend te houden onder oude familievetes.
Mondaine Irini, de buurvrouw die haar met hondendrollen bedekte geboortegrond met zwaaiende rokken achter zich liet toen een Atheense politieman haar pad kruiste, is er niet meer bij dit jaar. Zij overleed 6 maanden geleden aan de ziekte die haar lichaam al ettelijke jaren voor zich opeiste en ten slotte geheel opvrat.
Afgelopen zondag hebben wij en de Athens Connection haar herdacht in ons kleine kerkje. Geen levende ziel ontbrak op de afscheidsdienst, noch op het samenzijn dat haar man en kinderen achteraf in ons plaatselijk volkslokaal hadden voorzien. Een geweldige opkomst voor iemand die – welbeschouwd – niet erg geliefd was.
Boss vond het herhaald kalimera zeggen, op de schouder kloppen, op de wangen zoenen, wat woorden wisselen en het naar bekenden wuiven al snel welletjes en te warm. Vanuit mijn ooghoek zag ik hem naar buiten verdwijnen, met een gezwinde stap die je van iemand met zware ademhalingsproblemen niet direkt zou verwachten.
Een vreemde, ruwe Griekse man trok plots aan mijn arm en hield zijn mobieltje onder mijn neus.
Of die bank van ons was?” Ik herkende de bank die Boss naast zijn studio had laten plaatsen om te vermijden dat iemand er zou parkeren. Stevig vastgezet in het beton is het ding ook nog, stel dat iemand ermee zou gaan lopen.
Toen ik dit beaamde en vroeg wat in hemelsnaam zijn probleem was, ging de man helemaal uit zijn dak. Dat dit een straat was, en dat hij de eigenaar was van het (bijna ingestorte) huis iets verderop en dat hij meteen de politie zou bellen als die bank niet illico werd weggehaald.”
Officieel staat de bank van Boss inderdaad op de openbare weg, dat wist hij en hij hield er rekening mee dat de bank zou moeten weggehaald worden als er iemand (figuurlijk dan) zou over vallen.
De boze man hebben wij in de afgelopen 12 jaar nooit gezien, de weg naar “zijn huis” was totaal onbegaanbaar en ongebruikt tot wij de studio en de omgeving begonnen te restaureren en op te kuisen.
stu1
Ik denk dat ik met die politiemannen even een deftig praatje zal slaan. Op die bank.

Het Kaartje

Standaard

IMG_7167

God en Klein Pierke weten het al onnoemelijk vele jaren, en ondanks mijn jaarlijkse januaribeloftes van beterschap en mijn nu wel diepgeworteld berouw, lukt het mij niet binnen een redelijke termijn een deftig, zij het dan kort, antwoord te verzinnen op brieven en berichten die mij liefdevol (what else?) bereiken. Mijn gemiddelde antwoordspanne moet nu welhaast acht maanden bedragen.

Maar als ik lees, dat er ergens zo’n jonge kerel hevig lijdt onder zijn chemobehandeling en zijn bezorgde vader vraagt hem als oppeppertje een kaartje toe te sturen, dan likt het vuur aan mijn achterste. Ik diep het meest zonnige Griekse tafereeltje uit mijn lade op, schrijf mijn boodschap aan de jongen en trek met mijn kaartje richting postkantoor.

Dat ik in het kantoor haast onder de voet gelopen word door de massa, daar kijk ik niet eens meer van op. Ik neem een ticket aan de automaat, neem er nog twee, en leg deze bovenop het apparaat, als toemaatje voor gehaaide nakomers. Ik heb het nummer 274 en zie op het scherm dat de loketdames langzaam de nummers 251 en 252 bedienen.

In tegenstelling tot de verantwoordelijken, die zich als in beton gegoten achter hun computerscherm verbergen, draaft onze postmeester door het lokaal, baant zich armenzwaaiend een weg – want hij is nogal klein van stuk – wenst mij een goedemorgen,  haalt een onschuldige jongeling uit zijn stoel en beveelt mij daar plaats te nemen. De hele zaal kijkt op, ik maak me zo klein mogelijk, zak onderuit in de stoel, kaartje in mijn ene hand, “solitaire“-spelletje in de andere.

Net als ik aan de eerste hint toe ben, daagt de postmeester weer op aan het einde van mijn rij. Met wenkend wijsvingertje. Is dat naar mij? Ik krimp nog meer in mijn stoel. “Come with me“. Ik voel wel 30 blikken in de rug als ik achter hem aan drentel. “Just that one card?” Ik knik en voel mij meteen schuldig. Had ik nu maar een hele resem kerstkaartjes geschreven. “One for Ollandia?” “Yes, please“. Hij komt aanzetten met een leuke zegel. “90 cents“.  Het voelt aan als de genadeslag. Nu moet ik spitsroeden lopen voor een armzalige 90 cent. “And this is my card for you, happy Christmas“. Hij duwt het (bovenstaand) kaartje van de Griekse Post in mijn handen.

De uitdrukking op mijn gezicht moet ab fab geweest zijn, toen ik mijn rug naar hem toekeerde en de uitgang opzocht. Iedereen lachte.

Een Broodje Ochtendzoenen

Standaard

greekbreaddaktyla

Mijn euromuntje heb ik klaargelegd en mijn hekken alvast geopend, want je moet goddomme van de rappe zijn als de bakker-op-wielen in de straat verschijnt. Of de man heeft bijberoepen, of hij is belastingsschuw. Ik ren dan ook als bezeten de straat op als ik het vertrouwde getoeter hoor. Te oordelen naar het geluid van knarsende deuren links en rechts, spurt zowat de hele straat op zijn busje af. De zwarte weduwen gaan voor en worden op hun stoep bediend, ik moet al van ver en voldoende luid  kalimera hijgen wil ik mijn komst aankondigen en aldus nog aan mijn dagelijks brood geraken.

Een uitgebreide keuze heeft mijn mobiele bakker niet. Geen enkele keuze eigenlijk, behalve dan het vertrouwde daktyla, een bruikbaar alternatief als je vergeet bread op je boodschappenlijst te schrijven. Roze plastic zakje errond en de man verdwijnt al net zo snel als hij gekomen is.

Volgt dan het rondje ochtendzoenen. Kalimera sas heb ik al geroepen en in mijn vlucht ook mijn jongere buuf Vasso gegroet, die snel een knopenloze ochtendjas over haar nachtpon heeft geslagen, gevraagd hoe het met haar ging en geantwoord hoe het met mij ging. Wij zoenen elkaar op de wangen, zij als een gietijzeren standbeeld wegens dat gebrek aan knopen.  Buuf Eleni mag ik ook niet overslaan, dat verwacht zij gewoon. Net als de andere oudjes, hunkerend naar wat genegenheid.

Voor het eerst merk ik het vrouwtje op, dat pas haar intrek heeft genomen in een fraai gerenoveerd huisje, samen met een uiterst irritante hond, die nooit heeft geleerd zijn bek te houden.  Vooraleer ik ook haar wil gaan zoenen terwijl ik nu toch bezig ben, vraag ik mij af of zij weet dat ik wel eens water naar haar mormel durf te gooien. Ik feliciteer haar met haar huisje dat er zo piekfijn bij staat. Waarop zij mij, een en al verrukking, het huis insleept en een rondleiding geeft langs alle kamers en kasten. Wat ik al vreesde, kwam ook. Of ik een koffie lustte? Ach, die déjà vu ! Met een – naar ik hoop – geloofwaardig droef gezicht, verzeker ik haar dat ik net mijn ontbijt-met-koffie op heb.

Ik heb wijselijk verzwegen dat ik geen brood in huis had.

 

 

 

Het Nummer 6

Standaard

Arthouse_Pic10

Dat het allemaal wel zal loslopen“, denk je dan vol vertrouwen en niet meer zo jeugdige overmoed, als je inpakt voor een leven in Griekenland en een ervaren inwoner je verwittigt to expect the unexpected.

Geheel onverwacht was het dan ook, dat wij zouden terechtkomen in een straat, die zelfs hoogbejaarde Heraklioten en doorgewinterde taxichauffeurs niet eens weten te vinden. De enige zekerheid, die het vervallen huis bood, was het huisnummer. En dat was het nummer 6. Dachten wij.

Het huis rechts had geen nummer en de mediocre kunstenaar, die er toen resideerde, beweerde – geheel ten onrechte en bij hoog en bij laag –  dat zijn huis het nummer 6 had. Een misverstand dat slechts na een paar jaren werd opgehelderd, toen een nieuwe bewoner er zijn kantoor vestigde en wij hem ervan konden overtuigen dat hij op nummer 4 woonde.

Erger was het gesteld met het huis links, dat in een erbarmelijke staat was en onbewoond sinds de studentinnen, die er een onderkomen hadden gevonden, spoorslags verdwenen waren met achterlating van een ton vuilnis en onbetaalde rekeningen. Niks aan de hand, denk je dan. Behalve dat dit huis – officieel – eveneens het nummer 6 heeft. Je voelt de nattigheid al aankomen. In welke brievenbus blijven de rekeningen toestromen, denk je? In welke woning wordt verkeerdelijk de watertoevoer en de elektriciteit afgesloten, denk je?

Tot overmaat van ramp, nam ene Maria er vrij spoedig haar intrek. Een uiterst  beklagenswaardig armoedig vrouwtje, met als enig gezelschap een doodzieke, lelijke kat en diverse “heer”schappen die haar in de late uurtjes wat euro toestopten voor bewezen diensten. Helaas niet genoeg om haar huishuur en rekeningen te betalen, het duurde een eeuwigheid vooraleer de eigenaar haar en haar povere spulletjes eruit kon zetten. Het duurde minder lang om ook haar rekeningen in onze brievenbus aan te treffen. En alweer spoedig zonder water of stroom te zitten, want je woont toch op huisnummer 6?

De bureaucratische, afmattende calvarietocht langs de verschillende diensten wens je je ergste vijand niet toe. De droplullen zetten het zowaar op een lopen als wij nog maar in de deuropening verschijnen; het onnozele feit dat er twee huizen zijn met hetzelfde huisnummer bereikt hun voorstellingsvermogen niet eens.

Er kwamen nieuwe huurders in huis links. Ditmaal met een luizig hondje en grootse plannen. De eigenaar verzekerde ons, dat zij heel solvabel waren. Waarop vrij spoedig onze opluchting een flinke duik nam, toen wij ook hun facturen in onze bus vonden, die netjes bij hen op de stoep legden en ze in opengescheurde omslag in hun voortuintje terugvonden. Het dient gezegd, de “diensten” reageerden nu vrij snel op deze nieuwe  betalingsweerzin, jammer genoeg gingen de kranen weer dicht en de lichten weer uit in het verkeerde huis.

Toen wij er vorige week arriveerden, viel het ons meteen op. Onze kredietwaardige buren hebben de benen genomen. Het doemhuis staat te huur. Wij houden nog maar eens ons hart vast.

 

 

 

 

Er staat een paard…

Standaard
IMG_6904

Een gehavende Bambi als de herfst nadert

I can’t believe I’m doing this“. Elk jaar opnieuw, als de zomer in aantocht is, herhaal ik – luid genoeg – dezelfde zin, terwijl ik Bambi bij de achterste poten grijp en hem, stuntelend achter Boss, dwars door het hele huis, terugplaats in zijn natuurlijke habitat.

Bambi is een heus kunstwerk, een houten balk op stelten, een zwaargewicht, goed gedraaid van oren en poten. In ontmantelde toestand en dik ingeduffeld in noppenfolie, maakte hij jaren geleden in woelige wateren de overtocht van het UK naar zijn vaste plek op ons Kretenzisch terras. Het kunstwerk moet een paard voorstellen, dat ziet het kleinste kind. Dat wij het echter Bambi noemen, is enkel het bewijs van de open mindset van de eigenaar, die steevast beweert dat het een ezel is.

Als de herfst op zijn einde loopt, en Bambi in zijn naaktheid gegeseld wordt door zware regenbuien en harde windstoten, wordt hij met liefde en zorg naar binnen gehaald. Hij brengt namelijk de winter door in mijn keuken. Dik tegen mijn zin. Het onfortuinlijke beest neemt veel plaats in en hindert gruwelijk de natuurlijke flow van dit huis en van mij. Ik laat dan ook niet na mijn ongenoegen te uiten door er dagelijks mijn vochtige vaatdoeken over te gooien.

Mijn opluchting is dan ook onbeschrijfelijk als Boss besluit Bambi – voor zijn terugkeer naar het terras – zijn jaarlijkse schoonheidsbehandeling te geven. De krullende vernislaag wordt weggenomen, gaatjes worden opgevuld, het hele lijf wordt grondig opgeschuurd en ingesmeerd met een speciaal daartoe overgevlogen wax. Zoveel tender care valt mij zelfs niet te beurt.

IMG_6941

Bambi na zijn schoonheidsbehandeling

En zo tuurt Bambi alweer naar de zee en ik naar een lege keuken. Voorlopig nog wel. Een mens moet immers genadeloos prioriteiten stellen.

De Woelige Conservator

Standaard

IMG_6917

Wij hadden het ons al afgevraagd. Blauw-witte bordjes, her en der op strategische straathoeken neergezet, bevestigden ons vermoeden, dat er in de omgeving een MUSEUM te vinden was. En wel in Kato Gouves. Of all places.

Joe toeriest?” roept de man achter de wankele tafel aan de ingang. Hij is druk met het invullen van een handvol lotto-formulieren. “Toe joero iech!” De man danst bijna van opwinding, het kan niet anders of wij zijn de allereerste bezoekers van het zomerseizoen.

Het Gouves-folkloremuseum is ruim, koel en tot de nok gevuld met ongeveer alle voorwerpen, die eens de trots en het erfgoed uitmaakten van de fiere, hardwerkende en onverzettelijke Kretenzers uit de streek.

Bedoeling is, dat ik hier eens ongegeneerd ga rondslenteren, nieuwsgierig wat geschiedenis opsnuiven, mij laten verbazen, fotootje hier en daar maken. Je kent dat. Ware het niet, dat de hete knoflookadem van de conservator mij in de nek blaast bij elke stap die ik zet. Boss heeft de bui al zien hangen en verdwijnt naar het diepere gedeelte van de zaal.

museum1

Er zijn honderden voorwerpen en snuisterijen. Met een aan waanzin grenzende verbetenheid geeft de hyperactieve conservator mij gebroken tekst en uitleg bij elk ervan. Mijn geduld raakt op, ik begin te dampen onder mijn oksels, ik snak naar koffie en buitenlucht. Vergoelijkend bedenk ik ook onmiddellijk, dat je toch echt wel waar krijgt voor je toe joero.

“Entaxei kyrie”, breng ik al stamelend uit, “nu wil ik toch graag in alle rust wat foto’s maken, meteen een beetje reclame voor je zaak“. Ik vind dit persoonlijk een leuke uitvlucht eigenlijk.

Met een air van professionalisme duikel ik mijn toestelletje op en zet mezelf op scherp. Springt die man mij daar toch voor de camera bij elke klik. Bij e-l-k-e goddamn klik. Ik ben onthutst en een appelflauwte nabij; hij moet het gezien hebben, no doubt.

museum2

Ai wiel meek piktjoers of joe” tiert de man, als hij Boss ziet komen aanslenteren. Hij rukt mijn cameraatje uit mijn pollen, posteert ons voor het beeld van een meer dan levensgrote, stoer kijkende Griekse krijger, duwt ons beiden een amfora in de handen, zegt dat wij die op onze schouder moeten torsen. Wat wij, met enig ongemak, ook doen. Ik kan nog een glimlachje forceren, Boss niet. Klik, klik. Ik weet nu al, dat deze foto’s slechts in acuut levensbedreigende omstandigheden het daglicht zullen zien.

“That’s it”, breng ik deze gedreven woesteling aan het verstand, “we’ll go now, thank you so much“. Nope. Er moest en zou voor ons vertrek nog een serie volgen aan het weefgetouw. Het povere lachje, dat wij nog konden produceren, is er een van pure opluchting.

IMG_6925

Het kan u dus verwonderen, maar er is wel degelijk een Museum voor Folklore in Gouves. En u krijgt heel wat return voor uw twee euro.