De Man met een Plan

Standaard

004

There’s nowhere to eat” mompelt Boss humeurig als wij het authentieke, gezellige dorpspleintje oprijden. Ik hou van de intieme verlatenheid van dit kleine plein in de winter, zo helemaal anders dan wanneer het door vakantiegangers overrompeld wordt. Ik antwoord vlug dat wij vast wel een taverne zullen open vinden, een beetje geërgerd door de vaststelling, dat Boss, sinds hij het roken heeft opgegeven, de ene verslaving door een andere heeft vervangen.

Het is stipt 10 uur in de ochtend en hij heeft nauwelijks twee uur geleden volgens planning zijn continental ontbijt op bed gekregen, op het lichtblauwe schaaltje, want bij het pink one slaan zijn functies tilt en bovendien is pink for girls. Geheel volgens planning bezoeken wij vanmorgen dierenleedverzachtersbazaar nummer zoveel, georganiseerd door de Britse Baileys Bitches, die stuk voor stuk de duidelijke keuze hebben gemaakt, de fles en de betreurenswaardige viervoeters boven hun better halves te plaatsen.

Dat Boss op komst is, is als een lopend vuurtje door het café gegaan. Met opgezwollen, rood aangelopen, make-up free gezicht verdringen zij elkaar om Boss de hand te drukken. Ik zie de onmiskenbare tegenzin en wanhoop in zijn ogen als zij perse met “Mister B” op de foto willen. En de angst als zij hem met voor de hand liggend gemak aan de bar uitnodigen en hij bemerkt hoe smerig die erbij ligt. “I’m not having a coffee here, Babette” fluistert hij mij toe, smekend bijna, nu hij terecht vreest dat ik hier nog minstens een half uur zal rondhangen om links en rechts een praatje te slaan en de kraampjes te bezoeken.

Wij vinden een schamele taverne, die wat voedsel belooft. Er is geen kat, een vrouwtje zit in haar aftandse jas tegen een houtkacheltje aangekleefd. Aan de muurschilderingen te zien, heeft ook zij haar diploma behaald aan de University of Hard Knocks. Kip kunnen we krijgen, pork en beef ook. Eerst maar wat hapjes, raadt zij aan, want het vlees is nog diepgevroren. Boss is nu ontspannen, de olijven, aubergines en hummus, en het vooruitzicht op nog meer en steviger kost, verzachten al in ruime mate wat hij noemt “the attack of those vicious women”.

We’re going“, besluit hij, als hij zijn nagerecht naar binnen heeft gespeeld. Want, geheel volgens plan, is het nu tijd voor zijn nap. “No, we’re not, I’m having my raki first”. Want hoe kan je nu het glaasje na de maaltijd weigeren dat het kouwelijke besje zo genereus hors saison aanbiedt? Ik steek nonchalant een sigaret op en neem mij voor, het flesje gezapig tot op de bodem leeg te drinken. Geheel volgens mijn plan.

Go ahead, make my day!

Standaard

Afbeelding

Het is mij nu wel duidelijk, dat het aantal kerstmissen en verjaardagen, die mij nog te beurt zullen vallen, merkwaardig lager zal liggen dan deze die ik achter de rug heb. Opmerkelijk is ook, dat het aantal geschenken, waar de Boss bij zulke gelegenheden komt mee aandraven – en die ik overigens wel heb verdiend – dezelfde trend volgt. Bovendien iets trager.

Ik ben een agenda-mens. Zonder agenda voel ik me naakt. Twee op mijn desktop, twee ernaast en drie in mijn handtas. En twee schriften waarin ik alles noteer omdat die agenda’s te klein zijn. Ik droomde dus niet alleen van een grote agenda, ik zei het ook luidop. In elk geval toch luid genoeg om de Boss te verwittigen, dat dit voor Kerstmis het uitgelezen geschenk zou zijn voor a woman who has everything. Op 27 december (!) zou hij er eens werk van maken. En dan heb je om de hoek, op 7 minuten 30 seconden wandelen van zijn kunsttempel (minder zelfs als je loopt) zo’n prachtige papierhandel. Maar neen, diezelfde agenda moest bij John Lewis in Londen besteld worden met £7,50 verzendkosten erbovenop. Dat dit op een disaster uit zou draaien, had ik kunnen voorspellen. De lazy bones hadden voor de verzending een beroep gedaan op de minder uitstekende diensten van een koerierbedrijf, waarvan ik de naam niet zal noemen, maar het begint met A. En laat dit nu net het bedrijf zijn, waar de Boss van oudsher een sterk doorleefde haatverhouding mee heeft, of althans met de dame die in Hersonissos de telefoon hanteert. Zes geanimeerde gesprekken later, haar resolute weigering om het pakketje door-to-door af te leveren, en het pakketje werd naar de afzender teruggestuurd. Volgden drie weken van knarsetandend bellen met het bedrijf en versturen van dreigmails. Met de Boss valt op zo’n momenten niet te lachen. Weken windstilte, want het pakketje was opnieuw verstuurd en men zou de verzendingskosten even herbekijken, Sir.

“Would you mind stopping by at A. when you’re in town, sweetie, the diary should be here by now” vroeg hij begin maart, toen ik vertrekkensklaar stond voor mijn boodschappenronde. Ik vond de deur van het kantoor hermetisch gesloten.

9 maart. Een man van A. belt. Ik vermoed dat de trillende telefoondame zwaar onder de prozac zit na haar veelvuldige aanvaringen met de Boss. “Of wij het pakketje kunnen ophalen op de oude vliegbasis in Gournes? Want helemaal tot ons bergdorp rijdt hij niet“. Ik geef de Boss ditmaal geen kans om nog maar eens te jeremiëren over zijn door-to-door en rij naar de afgesproken plaats, vastberaden om met mijn kerstgeschenk terug te komen of de Boss zijn hersens in te slaan. Als ik de bestelwagen aan zie komen, werp ik er mij bijna bovenop, grits het pakje uit de man zijn handen, teken zelfs niet voor ontvangst en zet het op een lopen.

Het is een kleintje. Zoals de andere drie in mijn handtas.

Zaterdag ga ik even wandelen, over een dik kwartiertje ben ik terug.

To the moon and back

Standaard

005

 

Het was haar oprecht verrukte glimlach van herkenning die mij deed vermoeden dat zij de verkeerde voor zich had. Ik kon mij de dame niet meer herinneren. Als je elke wintermaand minstens één bazaar ten voordele van harige viervoeters op een beleefd bemeten drafje bezoekt,  hou je bewust de opslagcapaciteit van je geheugen uitermate beperkt. Ik schitter terug. “Hi dear, so nice to see you!”  “Again” laat ik voorzichtigheidshalve achterwege, met “dear” kan ik alle kanten uit. Ik hoor dat zij noch tot de Engelse, noch tot de Nederlandse incrowd, die deze caritatieve tafelactiviteiten doorgaans organiseert, behoort en wij ons beiden opgelucht kunnen beperken tot het bekijken en betasten van de tientallen vruchten van haar ongetwijfeld remarkabele huisvlijt die zij op haar tafeltje heeft uitgestald. Ik moet hier gewoon iets kopen. Met gehaakte oorhangers zie ik mezelf niet over de straat lopen, een vuistgroot gebreid hart zal ik niet op mijn borst spelden en roze babysokjes bezorgen mij nog steeds naweeën. Wat nu?

In een hoekje zie ik plots twee kopjes in een valentijnsjasje staan en die vertederen mij wel. Boss zal ze ongetwijfeld awful vinden, mijn kop eraf als dat jasje de koffie warm zal houden, zeker weten dat je na elke teug de pluisjes van je lippen mag plukken, maar that’s it.

Ik heb de kopjes goed zichtbaar en uitdagend op een rekje gezet. Ik geef ze nog één week om eraf te tuimelen.

I’m alive!

Standaard

poorme

Voor de armlastige Belgische Staat moet het perspectief, dat zij mijn karig pensioentje nog zouden doorbetalen terwijl mijn ingewanden al druk aan het fermenteren zijn en de piesbloemen tussen mijn tenen omhoog krullen, een verschrikking van de hoogste orde zijn.

Al helemaal als die onderdaan zich in rubriek 92bis paragraaf 17 van de burgers-die-het-grondgebied-definitief-hebben-verlaten bevindt en zich vooral verder aan alle rechten en plichten wenst te onttrekken.

Dat is dus buiten de waard gerekend. Om nog boter bij de vis te krijgen, moet en zal je om de zes maanden bewijzen, aan de hand van het daartoe geëigende formulier, de facto en de visu, dat je nog leeft. Het zal dus niet volstaan, een mailtje naar de financiën-ambtenaar te sturen in de trant van “Ha, die Michel, hoe gààt het nog met je, ouwe jongen? Ik leef nog, hoor, volgende keer meer geluk!”   

Michel antwoordt nooit. Hij is einde loopbaan en niet meer om de tuin te leiden. Bovendien staat hem nog levendig het vermanende vingertje van zijn chef de bureau voor de geest, dat corruptie steeds om de hoek loert en “dat mens woont wel in Griekenland hé, Michel, wink wink”.

Het formulier dient door een officiële instantie ondertekend te worden. Waarbij bedoeld wordt, dat je het best een official uitzoekt die minstens zeven stempels op een rij op zijn desk heeft staan. De politie bijvoorbeeld. Daar stap ik dus niet meer binnen, sinds ik de vettige Kostas, de enige agent die twee woorden Engels kan lezen, noch op maandag, dinsdag en woensdag aan zijn bureau kon vinden. Op donderdag was hij net gaan eten en op vrijdag had hij geen tijd.

De gemeente dan, waar je aan de hand van je paspoort en je handtekening geïdentificeerd wordt en vakkundig beschouwd als in duidelijk levende toestand verschijnend voor de ambtenaar. Vier stempels, een krabbel, en tot over zes maanden dan maar weer.

Ik stuur de ouwe jongen steeds een berichtje dat mijn levensbewijs eraan komt met vermelding van het codenummer van de brief. En zie, ditmaal heeft de Michel van zich laten horen, zij het dan op automatisch gegenereerde wijze.

“Ik ben afwezig van Ma 29-7-2013 tot Di 30-7-2014. Ik ga met pensioen”.  

Hij is wellicht niet naar Griekenland uitgeweken.

De Paleisrevolutie

Standaard

Afbeelding

Was de oktoberbijeenkomst van de internationale boekenleesclub in de alom geprezen kunsttempel van de Boss een succes te noemen, de novembereditie daarentegen dreigde op een regelrechte catastrofe uit te draaien. Aan de opkomst lag het niet, de uitnodiging vermeldde immers dat er “nibbles van Babette” en een “cherry chocolate cake van Boss” zou geserveerd worden, wat een extra toeloop van uitgehongerde expats aan de tafel bracht. Daar waar Babette zich ruim een halve dag in de keuken had verschanst voor haar “nibbles“, had de Boss zich beperkt tot het kiezen en aankopen van zijn taart en had Babette die, met de andere aankopen, achter zich aan gesleept.

De Boss, als zelfverklaarde drijvende motor, staat in voor de drankjes en brengt nu, na heel wat nerveus heen en weer geloop, ter verwelkoming zijn glas tot neushoogte. “Of iedereen zijn drankje heeft?” Hij is het mijne vergeten. Het oepsmoment verdwijnt achter het neerslaan van de veelzeggende blikken om mij heen. Ruimbemeten Leen, de locovoorzitter van deze meeting, zit rechtover de Boss, strijdlustig als steeds om hem uit het zadel te lichten, en heeft, vreemd genoeg, ter versterking haar Griekse hubby meegebracht, die (net zo min als ik) het boek van de maand niet heeft gelezen. Ik ga ervan uit, dat wij beiden ons zo ook wel iets kunnen voorstellen bij honderd jaar eenzaamheid.

Het gaat al meteen grondig mis bij de inleidende vraag, waar onze bijdrage voor Ann, een overleden lid van onze club, heen moet. Met het verzoek van haar dochter, onze storting over te maken aan het Engels tehuis waar zij werd verzorgd, ging iedereen al bij de vorige vergadering akkoord. Nu vindt Leen in een laat-semi-patriottische opwelling dat de homeless in Athens daar meer behoefte aan zouden hebben. Maar Boss komt niet op beslissingen terug en poor Ann zal nu ongetwijfeld rest in peace in de wetenschap dat Leen bakzeil heeft gehaald.

“Right. Can we now proceed with One Hundred Years…”  Leen geeft zich evenwel niet zo snel gewonnen, zelfs als zij daarvoor de jarenlange solitude van haar lievelingsauteur nog even moet rekken. In een verwoede poging, alsnog haar coup d’état door te drukken, werpt zij op, dat, naar haar bescheiden mening, de leden onvoldoende informatie krijgen en deze verheffende, doch, zoals zij terdege beseft, tijdrovende taak het best naar haar zou worden overgeheveld. Ik zie de ergernis van de Boss, die hiervoor instaat, to the next level stijgen en zijn stuk cherry chocolate cake halverwege zijn slokdarm stoppen. Het is een gratuite bewering, daar is iedereen het over eens, maar de deuk is er.

Hij herstelt zich. “Right. Can we now proceed with One Hundred Years…” Het geduld van het boekminnend clubje is op. De taart en de nibbles ook. Leen geeft met een verbeten trekje een monoloog weg, dat zij heeft gepikt van The New York Times. Niemand waagt het nog, erop te reageren. “In his book, Màrquez is wise enough not to offer excuses”.

Bij het buitengaan heeft Leen de Boss niet eens gegroet.

Kala Christougenna !

Standaard

Afbeelding

Het is altijd een vrolijke en drukke bedoening als op feestdagen ons dorpje overrompeld wordt door de kinderen die hun grootouders een bezoekje komen brengen. Mama’s schreeuwen de bende tot de orde, papa’s maken grapjes en de oudjes glunderen. Er wordt stevig gezoend, uren getafeld en gedronken, de discussies worden heftiger en de gebaren breder naarmate de flessen leger worden. De zon scheen toen ik vanochtend wakker werd. Een enkel wolkje schoof het monotone gezang, dat uit het kabouterkerkje opsteeg,  zacht deinend langs me heen en deed me besluiten, dat de vrede uitgerekend in deze uithoek was neergedaald. Althans voor een paar uren.

Het mag een wonder heten, dat ik, gaandeweg vastgesnoerd aan planningen en agenda’s, nooit vergeet de kerstpakketjes voor de kinderen klaar te zetten. In groeiende mate zelfs, want er kunnen best in het afgelopen jaar een paar ukkies bijgekomen zijn die je niet met lege handjes en luid briesend naar yia yia‘s schoot wil terugjagen.

Gerammel aan het hekken. “Miester B.!!! Miester B.!!! Heppie Kriestmess!!!” Mister Boss ligt te slapen en zelfs de Wiener Sängerknaben op volle frequentie veranderen daar niets aan. Het kan inbeelding zijn, maar de zangertjes aan mijn hekken lijken opgelucht mij te zien verschijnen. Ik krijg een privé uitvoering van wat ongetwijfeld de langste kalanta uit hun repertorium moet zijn, de triangels zwaaien heen en weer, eentje heeft zelfs biebergewijs zijn gitaar meegebracht. Ik kijk naar hun onschuld, de verve waarmee zij hun lied brengen, het ware kerstgevoel dat zij met zich dragen, de vreugde die zij uitstralen. En de verrukking op hun gezicht als zij hun pakje krijgen, de oudsten krijgen er nog wat centen bovenop, want een brommer, dat willen zij zo graag.

Als na een halfuurtje een broer en zus, die ook ieder jaar acte de présence geven, achter de hoek verdwenen zijn, woelt Miester B zich wakker. “What was this all about?”

I’ve been touched by angels today“.

Uit het oog

Standaard

010

Van alle hemelse zegeningen, die in de loop der jaren en in beperkte mate over mijn hoofd zijn uitgestort, is zoiets als een normale gezichtssterkte bedroevend achterwege gebleven. Het is bijna zo ver gekomen, dat ik, om iemand te herkennen binnen een straal van drie meter, op zijn lichaamsgeur dien af te gaan. In elk geval is er voldoende reden voor de Boss om mij a walking disaster te vinden.

Al jaren delen wij dezelfde ruime werktafel in the office. Hij aan een kant, verscholen achter zijn 30 inch screen, luisterend naar zijn   lievelingsmuziek en met een scheef oog de BBC-uitzendingen volgend op een ander scherm. Verder ligt er niks. Niks. Face to face zit ik dan aan de andere kant, in wat hij zeer ten onrechte omschrijft als this terrible mess, een dagelijkse aanslag op zijn compulsieve aard. En laat ik dan, to cap it all, net deze week, duidelijk hoorbaar, knabbelen op die bikkelharde koulourakia, die ik overigens niet eens lust. “I would really like you to move upstairs, Babette, I can’t stand this anymore”.

Dat liet ik mij geen twee keer zeggen. En kijk nu toch eens hoe vreedzaam mijn nieuwe uitzicht is geworden, hoe uitnodigend die stille heuvel aan de overkant. Elke verandering, elke beweging valt me op. De kerel die zijn bijenkorven verplaatst, de man die zijn hond uitlaat, de herder met zijn bonte kudde, het groepje jagers, de zeldzame jeep met stofwolken in zijn zog, ik zie het allemaal. Eigenlijk is het met mijn ogen nog niet zo erg gesteld.